7 okt – 14 okt

Mijn onderzoek en projecten beginnen vorm te krijgen. Ik krijg lessen in text, body and voice en in research methodologies. Ik ben er achter gekomen dat Shakespeare het toch echt niet is voor mij.. Ik wil best deze Engelse methode leren en ermee experimenteren. Maar dat kan ik alleen met een tekst waar ik iets voor voel. Die ik tot leven wil brengen. Daarom ben ik begonnen te werken aan Waiting for Godot. Ik hou van Beckett. De onlogische rare, absurde en zwarte tekst. Het existentialisme. De humor. Dan gaat werken vanuit de tekst, waar ik de afgelopen maand een beetje weerstand tegen heb gehad, van zelf.

Vanaf 28 oktober ga ik regie-assistentie doen bij Kirsty Davis, die samen met het laatste jaar van de bachelor acting students een voorstelling gaat maken naar de sprookjes van Grimm. De 6+ voorstelling speelt een maand later in The Egg. Dat wordt een pittige maand maar ik heb er heel veel zin in.  Het wordt voor mij weer een onderzoek naar werken vanuit tekst, maar dan voor een jong publiek. Ik ga zien hoe Kirsty de boel aan stuurt en als het goed is krijg ik zelf ook genoeg te doen. Samen met mijn research is dit waar ik de eerste module op beoordeeld word.

Ik heb hele interessante academische teksten gevonden over jeugdtheater. Hoe meet je of je voorstelling geslaagd is? Door kinderen te interviewen en te horen wat ze begrepen hebben? Kan je als volwassenen überhaupt wel jeugdtheater maken, je bent zelf volwassen? Hoe worden kinderen als nog eigenaar van wat je gemaakt heb?  Gaan kinderen makkelijker op in de voorstelling als het immersive theatre is?

Ik las dat wij als volwassenen denken dat de theaterervaring gaat om het zien van de voorstelling, maar dat kinderen een hele andere manier van ervaren hebben. Misschien is de busreis er naar toe wel net zo belangrijk. Reconsidering hierarchies of experience noemen ze dat. Dat leidt weer tot de vraag: maar wanneer laat je dan je voorstelling beginnen?

Op maandag 7 oktober kwamen (de blijkbaar heel beroemde) regisseur Mike Alfreds en de actrice Caroline Quinton een gastgesprek met ons voeren. Wat ik het bijzonderste vond was dat Mike vertelde hoeveel vrijheid en vertrouwen hij zijn acteurs geeft. Voor hem gaat regisseren over het vormgeven van de ‘spelregels’ van de voorstelling (“Tennis isn’t golf, what are the rules?”) en over oefeningen verzinnen waarmee de spelers tot nieuwe oplossingen komen. Is de regisseur dan niet een leraar, vroeg ik me af. Een docent die faciliteert. Gaan ze altijd samen?

Die avond zagen we Bleakhouse, het verhaal van Dickens, vertelt door regisseur David Glass. Ik vond het een prachtige choreografie van beeld, lichaam en tekst. Het was een melodrama en ik werd wel een beetje sceptisch van alle drama aan het einde. In het nagesprek vertelde David Glass daarover dat het wel lijkt alsof melodrama’s niet meer mogen. Wanneer theater net zo realistisch is als de supermarkt, dan vinden we het goed. Maar Dickens maakte juist ontzettend grotesk werk!

Verder zag ik deze week nog de kindervoorstelling The day I fell into a book, in The Egg. We deden als publiek mee met een experiment, geleid door één acteur die de wetenschapper was. We kregen koptelefoons op en de ruimte werd zogenaamd ‘geseald’. We kregen allemaal een boek en lazen mee met de professor die hard op voorlas. Steeds meer geluiden werden toegevoegd over de koptelefoon. De live stem van de professor werd overgenomen door andere voorleesstemmen over de koptelefoon, tot dat de professor uiteindelijk compleet in het boek verdween.  We konden hem ook op de nieuwe bladzijden in onze boeken zien.

Wat houden Engelsen verschrikkelijk veel van verhalen. The day I fell into a book was een mooie voorstelling, maar wel vooral op het auditieve vlak. Ook zijn er veel onderzoekers die zeggen dat het belangrijkste onderdeel van een goede kindervoorstelling een goed verhaal is. Maar ik vraag me af of dat klopt. Ik geloof juist dat kinderen ook veel abstractie aan kunnen en vertellingskracht van beeld heel goed begrijpen. Wordt vervolgd…